Appellante, geboren in Turkije en in 1990 naar Nederland gekomen, vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van volledige arbeidsongeschiktheid vanaf haar 17e verjaardag. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij niet als ingezetene in Nederland was op haar 17e verjaardag, een vereiste volgens de beleidsregels en wettelijke bepalingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de historische wooneis niet in strijd is met discriminatieverboden uit internationale verdragen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat deze eis disproportioneel is en indirect discriminerend, maar de Raad verwierp deze argumenten en bevestigde de rechtmatigheid van het beleid.
Wel erkende de Raad dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, waardoor het UWV werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €2.500. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.