ECLI:NL:CRVB:2014:1232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand en werd door het college aangesproken op het niet melden van een gezamenlijke huishouding met T vanaf 1 september 2009. De sociale recherche voerde een uitgebreid onderzoek uit, inclusief dossieronderzoek, observaties en getuigenverhoren, en concludeerde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Het college trok de bijstand van T in en vorderde de kosten terug, mede van appellante op grond van artikel 59, tweede lid, WWB. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij betwistte de gezamenlijke huishouding en voerde aan dat er dringende redenen waren om terugvordering achterwege te laten.
De Raad oordeelde dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding was voldaan, omdat appellante en T een gezamenlijk hoofdverblijf hadden en zorg droegen voor elkaar, zoals blijkt uit wederzijdse onderdakverlening, gezamenlijke kosten en wederzijdse hulp. Latere ontkenningen van verklaringen werden niet geloofd vanwege vaste jurisprudentie.
Het college was bevoegd de bijstand terug te vorderen, ook zonder dat appellante op de hoogte was van de bijstandsverlening aan T. Dringende redenen om van terugvordering af te zien waren niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand aan appellante bevestigd.