ECLI:NL:CRVB:2014:1282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing dagloonregeling bij gedeeltelijke werkloosheid volgens artikel 17 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Appellant was gedetacheerd op basis van een 0-urencontract bij een stichting en kreeg na een afname van werkzaamheden gedeeltelijke werkloosheid. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd geweigerd wegens het niet voldoen aan de wekeneis. Later werd een WW-uitkering toegekend, maar appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van het dagloon en verzocht toepassing van artikel 17 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit).
Het geschil betrof de uitleg van de zinsnede ‘naar de mate waarin de dienstbetrekking in de plaats is gekomen van de oude dienstbetrekking’ uit artikel 17 van Pro het Besluit. Appellant stelde dat zijn nieuwe dienstbetrekking een volledige voortzetting was van de oude, waardoor het dagloon berekend moest worden op basis van het oude loon over een referteperiode.
De Raad volgde het standpunt van het UWV dat deze zinsnede identiek is aan die in artikel 9 van Pro het Besluit en dat de loonberekening proportioneel moet plaatsvinden door het oude loon te vermenigvuldigen met de verhouding van het aantal uren in de nieuwe dienstbetrekking tot het aantal uren in de oude dienstbetrekking.
De Raad oordeelde dat toepassing van artikel 17 op Pro deze wijze tot een lager dagloon leidt dan de hoofdregel, maar dat het door het UWV vastgestelde dagloon van € 82,62 niet te laag is. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd waarbij het dagloon proportioneel wordt berekend volgens artikel 17 van het Besluit.