ECLI:NL:CRVB:2014:1358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding deeltijd WW bij niet-verlengde werktijdverkorting
Appellante had het UWV geïnformeerd over een werktijdverkorting van 50% voor vijf werknemers van 4 januari 2010 tot 2 april 2010 en meldde vervolgens een verlenging met 20% werktijdverkorting van 5 april 2010 tot 5 juli 2010. Later informeerde appellante het UWV dat de werknemers in deze periode volledig hadden gewerkt. Het UWV vorderde een vergoeding omdat de werktijdverkorting niet minimaal één keer was verlengd zoals vereist volgens het Besluit deeltijd WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat een verlenging een aaneengesloten periode van dertien weken vereist en appellante deze periode had onderbroken. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet op de hoogte was van de gewijzigde regeling en dat de formulieren geen terugbetalingsplicht voor niet-verlenging van minimaal dertien weken vermeldden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante feitelijk geen werktijdverkorting had toegepast in de verlengingsperiode en dat de wijziging van de regeling niet relevant is voor de beoordeling. De vergoeding is daarom terecht gevorderd. Het verzoek om een kostenvergoeding wegens onrechtmatigheid werd afgewezen omdat geen sprake was van een aan het UWV te wijten onrechtmatigheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante een vergoeding aan het UWV verschuldigd is wegens het niet verlengen van de werktijdverkorting.