ECLI:NL:CRVB:2014:1369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens onvoldoende bedreiging gezondheid
Appellante, een Bulgaarse EU-burger zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzocht op 24 augustus 2010 om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees dit verzoek op 1 november 2010 af, omdat appellante niet voldeed aan de toegangscriteria en er geen beroep was gedaan op crisisopvang. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond, waarbij werd meegewogen dat appellante gedurende de beoordelingsperiode beschikte over onderdak op een logeeradres. In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende rekening hield met medische verklaringen die haar psychische en fysieke toestand onderbouwden.
De Raad oordeelde dat, hoewel sprake was van een paniekstoornis met agorafobie en een depressieve stoornis, uit de medische informatie onvoldoende bleek dat appellante substantieel bedreigd zou worden zonder opvang. Tevens was appellante feitelijk opgevangen op een logeeradres. Gelet op artikel 8 EVRM Pro en de jurisprudentie van het EHRM, concludeerde de Raad dat de weigering van opvang een fair balance vormde tussen publieke en particuliere belangen.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om maatschappelijke opvang bevestigd.