ECLI:NL:CRVB:2014:1376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid en volledigheid arbeidsongeschiktheid voor WIA-uitkering
Appellante, een administratief medewerkster, viel uit wegens lichamelijke en psychische klachten na een bevalling. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was, waarna bezwaar leidde tot een herbeoordeling en toekenning van een WIA-uitkering met 80-100% arbeidsongeschiktheid. Appellante stelde in beroep dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit medisch onvoldoende was onderbouwd, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de bezwaarverzekeringsarts had gemotiveerd dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt was. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt en bracht nadere medische informatie in. Het UWV bracht een rapport in waarin werd toegelicht dat verbetering van belastbaarheid binnen een jaar te verwachten was, met name door medicijngebruik en therapie.
De Raad stelde vast dat de kern van het geschil de vraag was of appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 4 Wet Pro WIA. Het beoordelingskader voor duurzaamheid werd toegepast, waarbij de verzekeringsarts een inschatting maakt van herstelkansen. De Raad concludeerde dat de medische situatie van appellante naar verwachting zal verbeteren en dat er geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellante is niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en heeft geen recht op een IVA-uitkering.