Appellante ontving vanaf augustus 2010 een WW-uitkering gebaseerd op 32 uur per week. Vanaf mei 2011 startte zij een pedicurepraktijk als zelfstandige en gaf zij alleen directe uren door aan het Uwv. Na telefonisch contact in oktober 2011 werd zij geadviseerd om ook indirecte uren door te geven, wat zij in december 2011 deed.
Het Uwv herzag daarop de uitkering en vorderde onverschuldigde uitkering terug. De rechtbank stelde vast dat het Uwv de hoorplicht had geschonden en gaf het Uwv de gelegenheid dit te herstellen. Na herstel verklaarde de rechtbank het beroep tegen het eerste besluit gegrond en tegen het gewijzigde besluit ongegrond zonder nadere zitting.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte zonder nadere zitting uitspraak deed over het gewijzigde besluit, terwijl dit niet tijdens de zitting was behandeld. De Raad oordeelde dat dit in strijd was met het verdedigingsbeginsel en vernietigde de uitspraak voor zover dit betreft.
De Raad behandelde het beroep inhoudelijk en oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht niet had geschonden en dat het Uwv terecht de uitkering had herzien vanaf 17 oktober 2011. Er waren geen dringende redenen om terugvordering te matigen. Het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2012 werd ongegrond verklaard.
Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellante in hoger beroep en het griffierecht werd vergoed.