ECLI:NL:CRVB:2014:1415
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over recht op WW-uitkering bij samenloop met WGA-loonaanvullingsuitkering
Appellant was sinds 1 april 2011 werkloos na ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en vroeg een WW-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de wekeneis van artikel 17 WW Pro, omdat hij in de referteperiode geen loon had ontvangen voor zijn werkzaamheden. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vanaf 1 mei 2010 feitelijk arbeid verrichtte op de afdeling logistiek van zijn werkgever, werkzaamheden die economische waarde hadden. De Raad stelde vast dat appellant inderdaad arbeid verrichtte die meetelt voor de wekeneis, ondanks dat het loon deels bestond uit een WGA-uitkering en dat het UWV de loonbetalingsverplichting anders interpreteerde.
De Raad oordeelde dat de werkzaamheden van appellant economische waarde hadden en dat het ontbreken van loon als tegenprestatie niet uitsluit dat er sprake is van arbeid in de zin van artikel 17 WW Pro. Ook de kwalificatie van arbeid als arbeid op therapeutische basis was niet relevant. De Raad concludeerde dat appellant recht heeft op WW-uitkering vanaf 1 april 2011 en droeg het UWV op het besluit te herzien en een nieuwe beslissing te nemen over de hoogte en duur van de uitkering.
Uitkomst: Appellant heeft recht op een WW-uitkering vanaf 1 april 2011 en het UWV moet het besluit herzien.