Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:1421

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2014
Publicatiedatum
29 april 2014
Zaaknummer
12-2483 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwVerordening (EEG) nr. 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buitenlandbijdrage voor zorgverzekeringsrechtelijke verdragsgerechtigde in Spanje

Appellant, woonachtig in Spanje en geboren in 1942, ontvangt een ouderdomspensioen en is door het Zorginstituut Nederland als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Op basis van Verordening (EEG) nr. 1408/71 heeft hij recht op zorg in Spanje ten laste van Nederland, waarvoor een buitenlandbijdrage verschuldigd is.

Het Zorginstituut stelde bij besluit de buitenlandbijdrage over 2007 vast, welke door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant terecht als verdragsgerechtigde was aangemerkt en de bijdrageplicht bestond. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en stelde dat het feit dat appellant zich pas in 2008 aanmeldde, niet afdoet aan zijn bijdrageplicht.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het bilaterale verdrag tussen Nederland en Spanje van 1974 voorrang zou hebben op de Europese verordening en dat de bijdrageplicht pas zou ontstaan na inschrijving bij de Spaanse verzekeringsinstelling. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank, verwijzend naar eerdere rechtspraak, en bevestigde dat de bijdrageplicht rechtstreeks volgt uit de Europese verordening.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de buitenlandbijdrage wordt bevestigd.

Uitspraak

12/2483 ZVW
Datum uitspraak: 23 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
30 maart 2012, 11/4575 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de “Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg” (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014.
Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1942, woont in Spanje. Vanaf januari 2007 ontvangt hij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet.
1.2.
Zorginstituut heeft appellant op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), die per
1 januari 2006 in werking is getreden, met ingang van 1 januari 2007 aangemerkt als verdragsgerechtigde. Op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) heeft appellant recht op zorg in Spanje ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van Pro de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).
1.3.
Bij besluit van 9 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2011 (bestreden besluit), heeft Zorginstituut in de definitieve jaarafrekening over 2007 de buitenlandbijdrage vastgesteld op € 1.981,54.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat hij een buitenlandbijdrage verschuldigd is. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (uitspraak van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C-345/09, ECLI:NL:XX:2010:BO1908) heeft de rechtbank overwogen dat sociaal verzekerden op wie de regels van de Vo. 1408/71 van toepassing zijn, geen keuzerecht hebben. Dat appellant zich eerst in juni 2008 heeft aangemeld, doet niet af aan zijn bijdrageplicht, nu deze verplichting rechtstreeks voortvloeit uit Vo. 1408/71. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat Zorginstituut niet verplicht is appellant er op te wijzen dat hij zich dient in te schrijven bij de verzekeringsinstelling in zijn woonland. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten van de door appellant vrijwillig afgesloten verzekering voor zijn eigen rekening en risico komen.
3.
In hoger beroep heeft appellant primair aangevoerd dat hij niet valt onder de werkingssfeer van Vo. 1408/71 omdat op 5 februari 1974, derhalve na inwerkingtreding van die verordening, het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Spanje is gesloten. Op grond van dit verdrag heeft hij toegang tot de Spaanse gezondheidszorg. Subsidiair heeft appellant gesteld dat hij eerst een bijdrage verschuldigd is vanaf het moment dat hij te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van zijn recht op zorg, namelijk door middel van inschrijving met het E 121-formulier bij de INSS in mei 2008.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Verder verwijst de Raad naar rechtsoverwegingen 3, 4.1 en 4.3 tot en met 4.6 van zijn uitspraak van 22 februari 2013 in het geding tussen de echtgenote van appellant en Zorginstituut (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2168). De Raad ziet geen aanleiding om in dit geding anders te oordelen.
4.2.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) I.J. Penning

JL