ECLI:NL:CRVB:2014:1429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding van de Sociale verzekeringsbank dat appellant en zijn partner als samenwonenden waren aangemerkt, voerde de gemeente Utrecht een onderzoek uit naar zijn woonsituatie. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, huisbezoek, verhoor van appellant en getuigenverklaringen.
Op basis van de onderzoeksbevindingen besloot het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de bijstand vanaf juni 2011 in te trekken en de kosten terug te vorderen, omdat appellant niet had gemeld dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant vanaf medio juni 2011 niet meer op het uitkeringsadres verbleef.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn verklaringen en die van getuigen onjuist waren, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De verklaringen waren op ambtseed afgelegd en door appellant ondertekend, en hij had niet aannemelijk gemaakt dat deze onjuist waren. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.