Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van werkneemster in hoger beroep tot een bedrag van € 748,-.
Centrale Raad van Beroep
Werkneemster was werkzaam als klantmanager WWB en viel uit wegens burn-out. Na het ontvangen van een loongerelateerde WGA-uitkering werd zij ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Werkneemster vroeg een WW-uitkering aan, welke door het UWV werd toegekend. Appellant maakte bezwaar omdat werkneemster al een WIA-uitkering ontving en stelde dat zij niet werkloos was geworden omdat zij geen relevant verlies aan arbeidsuren had.
De rechtbank oordeelde dat werkneemster wel werkloos was in de zin van de WW omdat zij haar arbeidsuren en bezoldiging verloor. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde dat de werkzaamheden die werkneemster in het kader van re-integratie verrichtte, ook al waren ze tijdelijk en niet in haar eigen functie, wel arbeid van economische waarde waren. Dit leidde tot het recht op WW-uitkering.
Verder oordeelde de Raad dat de samenloop van een loongerelateerde WGA-uitkering en een WW-uitkering in dit geval mogelijk is en dat de uitsluitingsgrond van artikel 19 WW Pro niet van toepassing is. De Raad wees het hoger beroep van appellant af en veroordeelde hem in de proceskosten van werkneemster.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op WW-uitkering wordt bevestigd.