ECLI:NL:CRVB:2014:1502

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 mei 2014
Publicatiedatum
2 mei 2014
Zaaknummer
12-5154 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 ARAR
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag wegens onbekwaamheid senior secretaris rechtbank

Appellante was sinds 2004 werkzaam als senior secretaris bij de rechtbank en kreeg in 2007 een vaste aanstelling, waarbij al werd aangegeven dat haar functioneren niet voldeed aan het vereiste niveau. Na een periode van ziekte en gedeeltelijke re-integratie werd haar functioneren in 2010-2011 beoordeeld als onvoldoende.

Op basis van deze beoordeling verleende het bestuur haar ontslag wegens onbekwaamheid volgens artikel 98 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Appellante voerde aan dat een van de beoordelaars bevooroordeeld was en dat haar diagnose ADD invloed had op haar functioneren, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.

De Raad oordeelde dat de beoordeling objectief was, dat appellante ook vóór de beoordelingsperiode niet voldeed aan de functie-eisen en dat de late psychiaterverklaring onvoldoende was om het ontslag onrechtmatig te maken. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het ontslag bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wegens onbekwaamheid bevestigd.

Uitspraak

12/5154 AW
Datum uitspraak: 1 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012, 12/710 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het bestuur van de rechtbank Gelderland (bestuur)
PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2013 is de [naam rechtbank] opgegaan in de rechtbank Oost-Nederland. Met ingang van 1 april 2013 is de laatste rechtbank gesplitst in onder meer de rechtbank Gelderland. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van bestuur wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het bestuur van de [naam rechtbank].
Namens appellante heeft mr. M.L. van der Geest hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Geest. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E.C. Ruinaard, mr. J.J. Catsburg en N.F. Ketelaar.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was met ingang van 1 oktober 2004 tijdelijk voor een proeftijd tot uiterlijk
1 oktober 2006 aangesteld als senior secretaris bij de [naam rechtbank]. Deze aanstelling is verlengd tot 1 april 2007. Vervolgens is appellante ingaande 1 april 2007 een vaste aanstelling verleend in genoemde functie. Daarbij is haar medegedeeld dat zij haar werkzaamheden in feite nog niet op het voor deze functie vereiste niveau verrichtte.
1.2. Op 4 december 2007 heeft appellante zich ziek gemeld. Hierna volgde een periode van re-integratie, waarbij zij (gedeeltelijk) wel en niet gewerkt heeft. Vanaf 1 april 2010 heeft de bedrijfsarts haar voor 80% arbeidsgeschikt geacht. Per 15 november 2010 heeft deze arts haar volledig hersteld geacht.
1.3. Bij besluit van 23 juni 2011 (besluit 1) is een beoordeling vastgesteld van het functioneren van appellante in de periode van 1 april 2010 tot 1 februari 2011. Het samenvattend oordeel is: onvoldoende.
1.4. Nadat hij zijn voornemen daartoe aan appellante had kenbaar gemaakt en appellante daarop haar zienswijze had gegeven, heeft het bestuur haar bij besluit van 30 augustus 2011 (besluit 2) met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.
1.5. Bij beslissing op bezwaar van 12 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het bestuur de besluiten 1 en 2 gehandhaafd.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De beoordeling
3.1.1. Appellante heeft (ook) in hoger beroep aangevoerd dat zij een moeizame verstandhouding had met C, een van de beide beoordelaars, en dat daarom van een objectieve beoordeling geen sprake is geweest. De Raad gaat hierin niet mee. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat C zich heeft ingezet om appellante tot betere prestaties te brengen. Voor zover in de beleving van appellante sprake was van een minder goede verstandhouding, zal deze te maken hebben gehad met de kritiek die C op haar werk uitoefende. Van aanwijzingen voor enige bevooroordeeldheid van C jegens appellante is in het geheel niet gebleken.
3.1.2. Dat de beoordeling mede betrekking heeft op een periode waarin appellante nog deels arbeidsongeschikt was, is juist. Echter, zoals in de aangevallen uitspraak uiteengezet, is appellante in die periode niet zwaarder belast geweest dan verantwoord was met het oog op haar nog gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
3.1.3. Nu appellante geen gronden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat de beoordeling rechtens niet in stand kan blijven, slaagt het hoger beroep op dit onderdeel niet.
Het ontslag
3.2.1. Anders dan appellante suggereert, is (enkel) voormelde beoordeling voldoende basis om haar ongeschikt te achten voor het naar behoren vervullen van haar functie. Daarbij komt dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante ook vóór de beoordelingsperiode niet aan de functie-eisen voldeed.
3.2.2. Appellante heeft erop gewezen dat in 2007 bij haar de diagnose Attention Deficit Disorder (ADD) is gesteld, welke duidt op problemen met de aandachtsconcentratie. Zij meent dat er een sterk verband is tussen deze aandoening en de kritiek op haar functioneren. Zij heeft echter noch in bezwaar noch in beroep medische informatie overgelegd om dit te onderbouwen. Pas in een zeer laat stadium in hoger beroep heeft appellante de Raad een verklaring van een psychiater, gedateerd 5 maart 2014, toegestuurd. Deze korte verklaring biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen of te vermoeden dat het disfunctioneren van appellante een gevolg was van ADD.
3.2.3. Ten slotte wordt met de rechtbank geoordeeld dat appellante niet behoort tot de doelgroep van de door haar ingeroepen circulaire van 25 juni 2007, kenmerk
2007-0000171966.
3.2.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep ook op dit onderdeel faalt.
3.3.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en
M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2014.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) M.R. Schuurman

HD