Betrokkene, een voormalig beroepsmilitair uitgezonden naar Bosnië, vroeg om toekenning van een militair invaliditeitspensioen wegens PTSS. De minister wees dit aanvankelijk af, waarna betrokkene bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister een nieuw besluit nam waarin een invaliditeitspensioen van 20% werd toegekend.
Beide partijen gingen in hoger beroep. Het hoger beroep van de minister richtte zich op de toepassing van het PTSS Protocol en de uitleg van het begrip 'verergerend dienstverband'. De Raad oordeelde dat de minister geen voldoende procesbelang meer had omdat het invaliditeitspensioen onvoorwaardelijk was toegekend en verklaarde het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk.
Betrokkene stelde dat de invaliditeit hoger moest worden vastgesteld en dat de proceskostenvergoeding onvolledig was toegekend. De Raad verwierp het betoog over invaliditeit maar oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de kosten van een medisch rapport niet had vergoed en veroordeelde de minister tot vergoeding van deze kosten en de proceskosten in hoger beroep.
Het beroep tegen het besluit van 7 mei 2013 werd ongegrond verklaard. De Raad legde tevens griffierechten vast en bepaalde de vergoedingen voor betrokkene.