ECLI:NL:CRVB:2014:1565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en bezit onroerend goed in buitenland
Appellanten ontvingen bijstand van januari 2006 tot juli 2009 en waren daarna tijdelijk woonachtig in Montenegro. Na een aanvraag in augustus 2010 startte de sociale recherche een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Uit het onderzoek bleek dat appellant vennoot was van een onderneming die onroerend goed in Montenegro bezat en dat appellant als intermediair optrad.
Het college trok de bijstand over de periode 2006-2009 in en vorderde €58.260,06 terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellanten betwistten niet dat zij de inlichtingenplicht schonden, maar stelden dat appellant slechts beperkte, onbetaalde tolkenwerkzaamheden verrichtte en geen bezittingen had.
De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat zij recht op bijstand hadden gehad indien zij wel aan de inlichtingenverplichting hadden voldaan. Er ontbraken concrete en verifieerbare gegevens over de werkzaamheden en het bezit. Bovendien werden laat ingediende stukken buiten beschouwing gelaten. Het verzoek om nader onderzoek in Montenegro werd afgewezen omdat voldoende onderzoek had plaatsgevonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.