ECLI:NL:CRVB:2014:1567

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 mei 2014
Publicatiedatum
7 mei 2014
Zaaknummer
13-937 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWBArt. 4:84 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid

Appellante, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van rechtsbijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg wees deze aanvraag af omdat appellante over voldoende middelen zou beschikken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen. De rechtbank oordeelde dat bijstand met terugwerkende kracht alleen kan worden verleend tot 1 januari van het lopende kalenderjaar, conform het buitenwettelijk begunstigend beleid van het college.

Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat het beleid onredelijk is omdat het aanvragen van bijzondere bijstand voor kosten die in het voorgaande jaar zijn gemaakt, onmogelijk wordt gemaakt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beleid als buitenwettelijk begunstigend beleid moet worden aangemerkt en dat toetsing beperkt is tot de consistente toepassing ervan. De Raad kan niet beoordelen of het beleid onredelijk is of de grenzen van redelijkheid overschrijdt.

Daarom wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 mei 2014.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijzondere bijstandaanvraag en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

13/ 937 WWB
Datum uitspraak: 6 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 januari 2013, 12/3388 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Namens appellante heeft mr. Van Baaren vervolgens een zienswijze ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 maart 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zij heeft op 16 maart 2012 bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten voor rechtsbijstand.
1.2.
Het college heeft de aanvraag bij besluit van 28 maart 2012 afgewezen. Het college heeft het tegen dat besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 21 juni 2012 (bestreden besluit), met wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante over voldoende middelen beschikt om de kosten te voldoen.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat sprake is van een aanvraag met terugwerkende kracht. Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Het college past buitenwettelijk beleid toe op grond waarvan, indien wordt voldaan aan twee voorwaarden, desalniettemin bijstand kan worden verleend met terugwerkende kracht tot uiterlijk 1 januari van het lopende kalenderjaar. Omdat de aanvraag in 2012 is gedaan, kan met terugwerkende kracht bijstand worden verleend tot 1 januari 2012. Omdat de kosten in 2011 zijn opgekomen, komt appellante in 2012 - ongeacht of zij voldoet aan de twee voorwaarden - niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat het beleid van het college waarbij alleen bijzondere bijstand kan worden verleend over het lopende kalenderjaar onredelijk is. Dit zou immers betekenen dat het niet meer mogelijk is om bijzondere bijstand aan te vragen in het geval dat op 30 of 31 december een toevoeging wordt afgegeven. De meeste colleges passen het beleid toe dat een toevoeging niet ouder mag zijn dan een jaar.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het hiervoor onder 2 samengevat weergegeven beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van
12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat slechts wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
4.2.
De Raad heeft al vaker geoordeeld (uitspraak van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2297) dat bij toepassing van buitenwettelijk begunstigend beleid, gelet op het in 4.1 aangeduide toetsingskader, de vraag of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is, dan wel of er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet aan de orde is. De bestuursrechter kan dus niet treden in de beoordeling van de vraag of het beleid van het college onredelijk is. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en P.W. van Straalen en
G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) O.P.L. Hovens

RB