ECLI:NL:CRVB:2014:1569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens bezit onroerend goed boven vermogensgrens
Appellante ontving sinds 2002 bijstand naast haar nabestaandenpensioen. Het college startte een onderzoek naar haar vermogen in het buitenland, waarbij bleek dat zij mede-eigenaar was van een woning en een bedrijfspand in Turkije met een gezamenlijke waarde van circa €149.000.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in wegens het bezit van dit onroerend goed boven de geldende vermogensgrens en het niet melden hiervan door appellante. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellante alleen de vastgestelde waarde van het onroerend goed. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van de taxatiewaarden van een lokale makelaar, waarbij ook waardeverlagende factoren waren meegewogen. De door appellante overgelegde waardebepalingen waren onvoldoende onderbouwd.
De Raad zag geen reden om een deskundige te benoemen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens bezit van onroerend goed boven de vermogensgrens en schending van de inlichtingenverplichting.