ECLI:NL:CRVB:2014:1638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, terwijl het college na onderzoek vaststelde dat zij vanaf 21 juli 2011 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €5.857,43, waarbij appellant hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en gezamenlijk hoofdverblijf, en dat het college ten onrechte niet in de proceskosten werd veroordeeld.
De Raad oordeelde dat appellanten wel degelijk een gezamenlijk hoofdverblijf hadden en dat sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door het samenwonen, medische verklaringen en financiële verstrengeling zoals betaling van gezamenlijke voorzieningen. De beroepen werden verworpen en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd en de beroepen worden ongegrond verklaard.