ECLI:NL:CRVB:2014:1653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet opgeven inkomsten uit pokeren
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB. Na een onderzoek van de sociale recherche naar pokeractiviteiten van appellant, waarbij contante en banktransacties werden onderzocht, concludeerde het college dat appellanten inkomsten uit pokeren niet hadden opgegeven.
Het college trok de bijstand over de periode van maart 2007 tot mei 2010 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan geen inkomsten te hebben verworven en dat het college op de hoogte was van de pokeractiviteiten.
De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk regelmatig pokergeld won en dat dit deels op de gezamenlijke rekening werd gestort of contant werd besteed. Appellanten schonden daarmee de inlichtingenverplichting. Omdat zij niet konden aantonen hoeveel winst zij daadwerkelijk hadden behaald, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Er waren geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering worden bevestigd wegens het niet opgeven van inkomsten uit pokeren.