ECLI:NL:CRVB:2014:1654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en medeterugvordering WWB-bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het college medeverantwoordelijk gehouden voor ten onrechte ontvangen bijstand van een persoon met wie hij een gezamenlijke huishouding zou voeren. Na een uitgebreid onderzoek door de sociale recherche, inclusief observaties, getuigenverklaringen en dossieronderzoek, concludeerde het college dat sprake was van samenwoning en wederzijdse zorg.
De rechtbank wees het beroep van appellant af, waarna appellant in hoger beroep ging. Hij betwistte het bestaan van een gezamenlijke huishouding en voerde aan dat de rechtbank onvoldoende gewicht had toegekend aan verklaringen die een vriendschappelijke relatie zonder samenwoning onderschrijven. Tevens stelde hij dat zijn verzoek om uitstel van de zitting onterecht was afgewezen.
De Raad oordeelde dat het verzoek om uitstel terecht was afgewezen vanwege onvoldoende actuele medische onderbouwing en dat appellant zich had kunnen laten vertegenwoordigen. Op basis van objectieve criteria, zoals inschrijving, verklaringen van betrokkenen en buurtbewoners, aangetroffen administratie en verzekeringsgegevens, concludeerde de Raad dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden met wederzijdse zorg.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de medeterugvordering van de bijstand bevestigd.