ECLI:NL:CRVB:2014:1656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek en schending medewerkingsverplichting
Appellant ontving bijstand vanaf maart 2010 en stond ingeschreven op een adres in Amsterdam. Na signalen over onroerend goed in Marokko en onduidelijkheden over zijn woonsituatie, voerde de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek uit. Tijdens gesprekken met handhavingsspecialisten gaf appellant tegenstrijdige verklaringen over zijn woonsituatie en weigerde hij medewerking aan een huisbezoek.
Het college trok de bijstand per 28 maart 2011 in, mede op basis van de verklaring van appellant dat hij geen bijstand meer wilde ontvangen. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het college en de rechtbank. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verklaring onder druk was afgelegd en dat hij onvoldoende bedenktijd had gekregen.
De Raad oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor onaanvaardbare druk of misbruik van omstandigheden. De verklaring van appellant was rechtsgeldig en hij had voldoende gelegenheid gehad om na te denken. Door de weigering tot medewerking kon het college het recht op bijstand niet vaststellen, wat rechtvaardigde dat de bijstand werd ingetrokken.
Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege weigering van appellant om mee te werken aan het huisbezoek.