ECLI:NL:CRVB:2014:1682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en financiële ondersteuning
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd door het college van burgemeester en wethouders van Bussum beschuldigd van het niet melden van een gezamenlijke huishouding met [naam] en financiële ondersteuning door haar ouders. Na onderzoek door de sociale recherche werd de bijstand opgeschort, ingetrokken en teruggevorderd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante en [naam] in de periode van 1 november 2009 tot en met 30 mei 2011 een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg. Appellante heeft dit niet gemeld, waardoor de intrekking van bijstand over deze periode terecht was.
Voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009 oordeelt de Raad dat het college niet op juiste wettelijke gronden heeft gehandeld. De niet verschuldigde huur en door de moeder betaalde energiekosten mogen niet als middelen worden aangemerkt, en de financiële ondersteuning door de ouders was niet verdergaand dan aangetoond. Daarom wordt het besluit tot intrekking en terugvordering over deze periode vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan appellante en vergoedt het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 mei 2014.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over juli tot en met oktober 2009 wordt vernietigd en het college krijgt opdracht tot nieuwe besluitvorming.