Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:1739

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2014
Publicatiedatum
21 mei 2014
Zaaknummer
12-1905 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herhaalde WIA-uitkeringsaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant heeft bij het UWV een herhaalde aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering, welke op 17 februari 2011 werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die niet al in eerdere procedures aan de orde waren gesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte zijn bezwaar tegen het eerdere besluit niet inhoudelijk had beoordeeld en dat de rechtbank dit had miskend.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank het juiste toetsingskader had gehanteerd en dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had gepresenteerd. De ontkenning van appellant dat hij zijn bezwaar had ingetrokken, kon niet tot een ander oordeel leiden.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde WIA-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

12/1905 WIA
Datum uitspraak: 21 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
23 februari 2012, 11/1209 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Coskun, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 april 2014. Voor appellant is mr. Coskun verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.
Bij besluit van 17 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 december 2010 ongegrond verklaard. Het Uwv achtte geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond daarvan heeft het Uwv zich bevoegd geacht om met overeenkomstige toepassing van het tweede lid van artikel 4:6 van Pro de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met verwijzing naar het besluit van 3 augustus 2010.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Awb, appellant bij zijn aanvraag van 27 december 2010 alsmede in de bezwaarfase ten onrechte geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, had volgens de rechtbank ook al in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 3 augustus 2010 naar voren gebracht kunnen worden.
3.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hem ten onrechte bij besluit van
3 augustus 2010 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is geweigerd en het Uwv er ten onrechte vanuit is gegaan dat appellant het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2010 heeft ingetrokken. Volgens appellant heeft het Uwv ten onrechte zijn bezwaar niet inhoudelijk beoordeeld en heeft de rechtbank dit miskend.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vastgesteld wordt dat de rechtbank bij de toetsing van het bestreden besluit het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. Voorts wordt met de rechtbank geoordeeld dat van de kant van appellant bij zijn herhaalde aanvraag van 27 december 2010 om een uitkering ingevolge de Wet WIA geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gepresenteerd aan het Uwv. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de ontkenning van appellant dat hij zijn bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2010 heeft ingetrokken in dit geding niet kan leiden tot hetgeen hij wil bereiken.
5.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en
D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) E. Heemsbergen

CVG