ECLI:NL:CRVB:2014:1838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.T. van den Corput
- J.S. van der Kolk
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering ondanks betwiste toename rugklachten
Appellant ontvangt sinds 1993 een WAO-uitkering wegens lage rugklachten, vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na meerdere herbeoordelingen bleef deze mate ongewijzigd. In 2009 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid door toegenomen rugklachten en verzocht om herziening van zijn uitkering. Het UWV weigerde dit, stellende dat de toename binnen vijf jaar na toekenning moest zijn begonnen, wat niet het geval was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn rugklachten sinds 2004 waren toegenomen en dat relevante medische stukken ten onrechte niet waren meegewogen. De Raad toetste het bezwaar tegen het besluit van het UWV van 14 oktober 2010 waarin de WAO-uitkering ongewijzigd werd voortgezet.
De Raad concludeerde dat de medische informatie van appellant onvoldoende objectieve onderbouwing bood voor een toename van de rugklachten vanaf 2004 of 2007. Hoewel de Raad de kort voor de zitting overgelegde brieven van neurologen betrok, bleek uit deze stukken dat de klachten pas recentelijk (vanaf 2008) waren geconstateerd. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat de WAO-uitkering terecht ongewijzigd is voortgezet.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt ongewijzigd voortgezet op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.