ECLI:NL:CRVB:2014:1869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens partnertoeslag als voorliggende voorziening
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar meldde dat zijn studerende partner bij hem kwam wonen en zij een kind kregen. Het dagelijks bestuur handhaafde aanvankelijk de bijstand, rekening houdend met studiefinanciering, maar wees appellant op de verplichting om partnertoeslag aan te vragen. Nadat de partner toeslag kreeg toegekend en uitbetaald, trok het dagelijks bestuur de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde onterecht ontvangen bijstand terug.
Appellant voerde aan dat de partnertoeslag niet als een voorliggende voorziening kon worden aangemerkt en dat hij zijn inlichtingenplicht niet had geschonden omdat hij pas later van de toeslag op de hoogte was. De Raad oordeelde dat de partnertoeslag volgens de wet en parlementaire geschiedenis bedoeld is als passende en toereikende voorziening voor de kosten van levensonderhoud van de partner.
Verder was appellant vanaf 23 augustus 2011 op de hoogte dat de toeslag invloed had op zijn recht op bijstand en had hij de toekenning van de toeslag moeten melden. Het niet melden vormde een schending van de inlichtingenplicht, rechtvaardigde de intrekking en terugvordering van bijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.