ECLI:NL:CRVB:2014:1885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WWB-uitkering wegens ontbreken verblijfstitel ondanks medische omstandigheden
Appellante, afkomstig uit China (Tibet) en zonder geldige verblijfstitel, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een WWB-uitkering en maatschappelijke opvang. Het college wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een verblijfstitel die recht op bijstand geeft. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij vanwege epilepsie en haar kwetsbare situatie een aanvullende uitkering nodig heeft om zelfredzaam te blijven. Zij betoogde dat de afwijzing in strijd is met mensenrechtenverdragen en verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Raad oordeelde dat appellante onder artikel 16, tweede lid, WWB valt en dat geen bijstand kan worden toegekend, ook niet op grond van zeer dringende redenen. Indien een positieve verplichting bestaat op grond van artikel 8 EVRM Pro, kan die niet via de WWB worden gerealiseerd. De vraag of appellante bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro blijft daarom in het kader van de WWB onbeantwoord. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WWB-uitkering wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.