ECLI:NL:CRVB:2014:1949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bij vermogenstoewijzing
Appellanten vroegen bijstand aan, welke werd toegekend met een verlaging van 100% gedurende één maand omdat zij vermogen hadden dat zij niet hadden ingezet voor hun levensonderhoud, terwijl bijstand al te voorzien was.
Het college stelde dat appellanten een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toonden door het niet aanwenden van het vermogen, hetgeen werd bevestigd door de rechtbank. Appellanten voerden aan dat het vermogen bestond uit een uitkering van een levensverzekering aan hun dochter, waarover zij niet konden beschikken.
De Raad oordeelde dat het tegoed op de bankrekening van appellante als haar vermogen geldt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet zo is. Appellanten slaagden hier niet in. De Raad bevestigde dat het vermogen redelijkerwijs had kunnen worden gebruikt voor levensonderhoud, en dat de verlaging van de bijstand terecht was opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand wordt bevestigd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bij het niet aanwenden van vermogen.