ECLI:NL:CRVB:2014:1960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstandsuitkering en lening met levensverzekering als onderpand
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en ontving deze met ingang van 8 februari 2012. Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage wees bezwaar af tegen het besluit dat de bijstand niet eerder inging, omdat appellant in de periode tussen de aanvraag en 8 februari 2012 in zijn levensonderhoud kon voorzien door middel van een lening van H met een levensverzekering als onderpand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat aan de lening een daadwerkelijke en concrete aflossingsverplichting verbonden was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de betalingen voorschotten op de bijstand waren en dat wel degelijk een concrete aflossingsverplichting bestond.
De Raad oordeelde dat appellant weliswaar een schuld aan H had, maar dat hij niet hoefde af te lossen zolang zijn financiële situatie dat niet toeliet en er geen afspraken waren over een aflossingstermijn. De schuld kon daarom niet worden meegewogen bij de beoordeling van het recht op bijstand. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan over de ingangsdatum van de bijstand.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van de bijstand blijft 8 februari 2012.