ECLI:NL:CRVB:2014:2002

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
12-3139 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loongerelateerde WIA-uitkering ondanks geschil over medische beperkingen en maatmaninkomen

Appellant, een voormalig senior IT-consultant, meldde zich ziek vanwege lage rugklachten, hart- en psychische klachten en vroeg in 2010 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek een arbeidsongeschiktheid van circa 71% vast en kende een loongerelateerde uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn medische beperkingen en het maatmaninkomen onjuist waren vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onderschat waren en dat hij de voorgestelde functies niet kon vervullen. Hij overlegde een rapport van een emeritus hoogleraar neurologie die een zwaardere rugbelastingbeperking suggereerde. Het UWV bracht tegenrapporten in en herrekende het maatmaninkomen, wat leidde tot een lichte aanpassing van het verlies aan verdiencapaciteit.

De Raad oordeelde dat de medische beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst voldoende waren onderbouwd en dat er geen medische gronden waren voor een verdere urenbeperking. Ook achtte de Raad de voorgestelde functies passend gezien de mate van beperking. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een loongerelateerde WIA-uitkering met 71% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

12/3139 WIA
Datum uitspraak: 13 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van
24 april 2012, 11/4429 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Bakker hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluis.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in]1954, was laatstelijk werkzaam als voltijds senior
IT-consultant. Op 6 januari 2009 heeft hij zich ziek gemeld in verband met lage rugklachten. Daarnaast zijn hartklachten en psychische klachten opgekomen.
1.2. Appellant heeft in oktober 2010 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek laten verrichten. Verzekeringsarts T.J. Duivenvoorden heeft vastgesteld dat appellant in aanmerking te nemen medische beperkingen heeft en heeft die opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Arbeidsdeskundige J.C. van Moorsel heeft met inachtneming van deze FML een aantal functies voor appellant geselecteerd en op grond van het mediane loon van de functies telefonist-receptionist-typist (SBC-code 315120), administratief medewerker-correspondent (SBC-code 515100) en administratief medewerker-beginnend (SBC-code 315090) het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 71,47%. Bij besluit van 19 januari 2011 heeft het Uwv per
4 januari 2011 - in aansluiting op de wachttijd van 104 weken - op grond van de Wet WIA een loongerelateerde uitkering (LGU) aan appellant toegekend waarbij de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 71%. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3. Verzekeringsarts bezwaar en beroep P. van Zalinge heeft de medische beoordeling van verzekeringsarts Duivenvoorden in haar rapport van 10 mei 2011 in grote lijnen onderschreven. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J. Oosterveld in zijn rapport van 1 juli 2011 de arbeidskundige beoordeling van arbeidsdeskundige Van Moorsel onderschreven, met dien verstande dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant nader is berekend op 68,7% wegens een verlaging van het gehanteerde maatmaninkomen. Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant onder verwijzing naar genoemde rapporten ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Daartoe heeft hij evenals in beroep in hoofdzaak gesteld dat bij het bestreden besluit zijn medische beperkingen zijn onderschat, dat hij vanwege zijn medische beperkingen de door het Uwv voorgehouden functies niet kan vervullen, en dat het Uwv het maatmaninkomen onjuist heeft berekend. Ter onderbouwing van de stelling dat de medische beperkingen zijn onderschat, heeft appellant een rapport overgelegd van emeritus hoogleraar neurologie prof. dr. J.C. Koetsier van
25 juli 2012. Daarin is vermeld dat appellant bij de FML te licht beperkt is geacht ten aanzien van rugbelasting. Bij brief van 29 augustus 2012 heeft prof. dr. Koetsier in aanvulling op zijn rapport van 25 juli 2012 te kennen gegeven dat appellant in verband met zijn rugklachten hooguit 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken.
3.2.
Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport overgelegd van verzekeringsarts bezwaar en beroep Van Zalinge van 29 november 2012. Prof. dr. J.C. Koetsier en verzekeringsarts bezwaar en beroep Van Zalinge hebben nadien nog over en weer op elkaars stukken gereageerd.
Het Uwv heeft geen aanleiding gezien om het bestreden besluit niet te handhaven wat betreft de medische besliscomponent. Wel heeft het Uwv bij brief van 6 maart 2014 meegedeeld dat het maatmaninkomen van appellant opnieuw is berekend en dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant in verband daarmee nader is vastgesteld op 72,72%.
4.
De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Partijen verschillen er niet over van mening dat bij appellant sprake is van onder meer lage rugklachten die ertoe aanleiding geven voor hem arbeidsbeperkingen aan te nemen. In hoger beroep spitst de discussie tussen partijen zich uiteindelijk volledig toe op de beantwoording van de vraag of voor appellant op de datum in geding op medische gronden een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen dan die welke is opgenomen in de FML. De vraag of de door het Uwv aangenomen beperkingen moeten worden aangevuld met een nadere beperking voor het aantal uren per dag of per week dat appellant in staat is om arbeid te verrichten, wordt ontkennend beantwoord. Daarbij is in aanmerking genomen dat de door appellant ingeschakelde deskundige niet heeft beargumenteerd dat er medische redenen zijn voor een nadere urenbeperking naast de reeds voor appellant aangenomen beperkingen. De door appellant overgelegde rapporten hebben dan ook niet geleid tot twijfel aan het door de verzekeringsartsen van het Uwv gegeven medische oordeel. In dit verband wordt opgemerkt dat een exacte diagnose niet altijd doorslaggevend is voor de vaststelling van de ernst van medische beperkingen bij het verrichten van arbeid.
4.2.
Wat betreft de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit wordt overwogen dat, uitgaande van de juistheid van de FML, het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies telefonist-receptionist-typist (SBC-code 315120), administratief medewerker-correspondent (SBC-code 515100) en administratief medewerker-beginnend (SBC-code 315090) voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn te achten. In de FML is aangenomen dat appellant ten hoogste een uur achtereen kan zitten, terwijl in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies veel afwisseling in houding naar eigen inzicht mogelijk is.
4.3.
Uit punt 4.1 en punt 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Gelet op de hangende hoger beroep door het Uwv in het voordeel van appellant gewijzigde berekening van het maatmaninkomen, is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant heeft gemaakt in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.948,- voor verleende rechtsbijstand en op € 32,56 voor gemaakte reis- en verblijfkosten, tezamen € 1.980,56. Voor vergoeding van de kosten van de door appellant ingeschakelde deskundige is geen grond nu het bestreden besluit in rechte stand heeft gehouden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.980,56;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en
H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M. M. Spaans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) M.M. Spaans
GdJ