ECLI:NL:CRVB:2014:2017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving sinds 19 juli 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding dat appellant niet op het opgegeven adres woonde, stelde de gemeente een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit leidde tot een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om de bijstand met ingang van 19 juli 2010 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode tot 22 december 2011 terug te vorderen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat het college onvoldoende had onderzocht of hij daadwerkelijk in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De Raad stelde vast dat appellant gedurende de periode in geschil vrijwel het gehele bedrag aan bijstand overmaakte naar een bankrekening van zijn dochter en onvoldoende aannemelijk maakte waarvan hij leefde.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van het college wel degelijk gericht was op de vraag waarvan appellant leefde en dat appellant hierover geen openheid van zaken wilde geven. De rechtbank had dan ook terecht geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting.