Appellant was vanaf 1 november 2010 in dienst bij Stichting Rentree Werkt op basis van een overeenkomst waarin een arbeidsovereenkomst werd aangenomen. Hij verrichtte productiewerkzaamheden tot zijn ziekte-uitval op 13 december 2010. Na beëindiging van het dienstverband per 1 maart 2011 kende het UWV een Ziektewetuitkering toe, die later werd ingetrokken en teruggevorderd omdat het UWV meende dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het ging om een re-integratietraject zonder reguliere arbeidsovereenkomst. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk productieve arbeid verrichtte binnen een arbeidsovereenkomst. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de schriftelijke overeenkomst, de feitelijke uitvoering en de aard van de werkzaamheden wezen op een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Raad vernietigde het bestreden besluit van het UWV en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de vaststelling dat appellant werknemer was in de zin van de Ziektewet. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.