ECLI:NL:CRVB:2014:2035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor uitvaartkosten na verwerping nalatenschap
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor zijn aandeel in de uitvaartkosten van zijn overleden vader, nadat hij de nalatenschap had verworpen. Het college wees de aanvraag af omdat deze niet binnen de drie maanden na het ontstaan van de kosten was ingediend, conform het buitenwettelijk beleid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat bijzondere omstandigheden, zoals de verwerping van de nalatenschap waardoor appellant niet eerder op de hoogte hoefde te zijn van de kosten, een uitzondering rechtvaardigen op de termijn voor het aanvragen van bijzondere bijstand.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar handhaaft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
De Raad benadrukt dat de uitvaartkosten niet tot de noodzakelijke kosten van appellant zelf behoren, omdat hij geen erfgenaam is, en dat het college daarom niet bevoegd was tot verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.