Uitspraak
OVERWEGINGEN
De bevoegdheid van de Raad
Het bestreden besluit
Centrale Raad van Beroep
Appellante, benoemd tot gerechtsauditeur bij de Centrale Raad van Beroep, maakte bezwaar tegen een voorstel van het bestuur aan de Minister om een koninklijk besluit tot haar ontslag te doen. Dit bezwaar werd door het bestuur niet-ontvankelijk verklaard omdat het voorstel niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt.
In beroep handhaafde appellante haar standpunt dat het ontslagvoorstel wel rechtsgevolg heeft en dat zij daarom rechtsmiddelen tegen dit voorstel moet kunnen aanwenden. De Raad overwoog echter dat gerechtsauditeurs niet als rechterlijk ambtenaar in de zin van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) worden aangemerkt, waardoor het voorstel niet onder de bevoegdheid van de Raad als bijzondere bestuursrechter valt.
Desondanks achtte de Raad zich bevoegd op grond van de wetsgeschiedenis en lopende herstelmaatregelen. De Raad bevestigde dat het ontslagvoorstel een voorbereidende handeling is gericht op een besluit van de Kroon en zelf geen rechtsgevolg heeft. Vaste rechtspraak stelt dat een voornemen tot ontslag geen besluit is in de zin van de Awb. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen het ontslagvoorstel wordt ongegrond verklaard.