ECLI:NL:CRVB:2014:2164
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeend verwijtbaar werkloosheid onvoldoende gemotiveerd
Appellante was werkzaam als helpende welzijn in de thuiszorg en werd op 14 november 2011 op staande voet ontslagen. Na haar aanvraag voor een WW-uitkering weigerde het UWV deze op grond van verwijtbare werkloosheid vanwege vermeende dringende redenen die aan het ontslag ten grondslag zouden liggen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende verantwoordelijkheid toonde en dat het ontslag terecht was gegeven. In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar het bestaan van een dringende reden en dat het ontslag onterecht was, onder meer omdat zij op 13 november 2011 gewoon had gewerkt.
De Raad constateert dat het UWV geen brief van ontslag op staande voet kon overleggen, noch een precieze omschrijving van de dringende reden. De stukken bevatten geen bewijs dat appellante op de genoemde datum haar eerdere gedragingen heeft herhaald. Bovendien is onduidelijk wat haar exacte functie en werkzaamheden waren, wat essentieel is voor de beoordeling.
De Raad concludeert dat het onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd is en dat het niet vaststaat dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Daarom is het bestreden besluit niet houdbaar en moet het UWV binnen zes weken het besluit herzien en motiveren.
Uitkomst: Het UWV moet het besluit tot weigering van de WW-uitkering herzien wegens onvoldoende onderzoek en motivering.