Appellant was werkzaam bij Defensie en werd geschorst naar aanleiding van klachten over discriminatie, bedreiging en vernieling. De minister schorste appellant op grond van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie (BARD). De rechtbank verklaarde het schorsingsbesluit onterecht en herroept dit, maar wees het verzoek om schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing van psychische klachten.
In hoger beroep richt appellant zich alleen tegen de afwijzing van de schadevergoeding. De Raad stelt vast dat de rechtbank de afwijzing van de schadevergoeding niet als onderdeel van het bestreden besluit heeft beoordeeld, maar als een zelfstandig verzoek, waardoor de uitspraak op dat punt niet kan blijven staan.
De Raad beoordeelt de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding opnieuw en concludeert dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door de schorsing. Er is geen bewijs van erkenning van schade door de minister. Daarom blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met betrekking tot de schadebeslissing in stand.
De Raad veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 juni 2014.