Uitspraak
OVERWEGINGEN
4. Uit 3.1 tot en met 3.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1980 werkzaam als groepsleerkracht bij de stichting en kampte sinds 2000 met arbeidsongeschiktheid na een arbeidsconflict. Na diverse pogingen tot werkhervatting en mediation, hervatte appellant slechts kortstondig zijn werkzaamheden in 2010-2011. Vervolgens meldde hij zich ziek na een vergissing in vergoedingen en weigerde hij zijn functie te hervatten.
De stichting verleende appellant eervol ontslag per 1 november 2011 wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie uit andere hoofde dan ziekte, conform artikel 4.7, aanhef en onder g, van de CAO Primair Onderwijs. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. Ook tegen de akte van ontslag werd bezwaar gemaakt, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet bereid is zijn functie te hervatten op persoonlijke gronden zonder objectieve feiten die dit rechtvaardigen, waardoor sprake is van functieongeschiktheid. De Raad wijst het beroep af en bevestigt het eervol ontslag. Er is geen sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie of conflict tussen partijen.
De Raad benadrukt dat het bestuursorgaan keuzevrijheid heeft in de ontslaggrond zolang deze voldoende is gemotiveerd. De akte van ontslag heeft geen zelfstandige rechtsgevolgen en kan niet apart worden aangevochten. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eervol ontslag wegens functieongeschiktheid wordt bevestigd.