ECLI:NL:CRVB:2014:2192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning Wajong-uitkering arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning
Appellante diende op 18 mei 2011 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kende haar bij besluit van 2 augustus 2011 een Wajong-uitkering toe met ingang van 7 september 2011, waarbij werd vastgesteld dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor haar 17e jaar lag en dat zij vanwege haar studie nog geen participatiemogelijkheden had.
Appellante maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de uitkering, stellende dat de uitkering met terugwerkende kracht tot haar 18e verjaardag zou moeten ingaan omdat haar handicap reeds daarvoor duidelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de Wet Wajong primair gericht is op arbeidsondersteuning en daarna op inkomensondersteuning, waarbij het recht op arbeidsondersteuning niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Gezien deze dwingende volgorde is het ook niet mogelijk om inkomensondersteuning met terugwerkende kracht toe te kennen. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en benadrukte dat hoofdstuk 2 van de Wet Wajong geen uitzondering op dit uitgangspunt toestaat.
De Centrale Raad van Beroep zag geen reden voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit van het Uwv.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend.