Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2192

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juni 2014
Publicatiedatum
27 juni 2014
Zaaknummer
12-3137 WWAJ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 Wet Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht bij toekenning Wajong-uitkering arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning

Appellante diende op 18 mei 2011 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) kende haar bij besluit van 2 augustus 2011 een Wajong-uitkering toe met ingang van 7 september 2011, waarbij werd vastgesteld dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor haar 17e jaar lag en dat zij vanwege haar studie nog geen participatiemogelijkheden had.

Appellante maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de uitkering, stellende dat de uitkering met terugwerkende kracht tot haar 18e verjaardag zou moeten ingaan omdat haar handicap reeds daarvoor duidelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad overwoog dat de Wet Wajong primair gericht is op arbeidsondersteuning en daarna op inkomensondersteuning, waarbij het recht op arbeidsondersteuning niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Gezien deze dwingende volgorde is het ook niet mogelijk om inkomensondersteuning met terugwerkende kracht toe te kennen. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en benadrukte dat hoofdstuk 2 van de Wet Wajong geen uitzondering op dit uitgangspunt toestaat.

De Centrale Raad van Beroep zag geen reden voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit van het Uwv.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend.

Uitspraak

12/3137 WWAJ
Datum uitspraak: 27 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van
18 januari 2012, 11/8378 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2014. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.
Appellante heeft op 18 mei 2011 een aanvraag ingediend om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).
1.2.
Bij besluit van 2 augustus 2011 is aan appellante een Wajong-uitkering voor studerenden toegekend met ingang van 7 september 2011. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante verminderde benutbare mogelijkheden heeft als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante ligt voor haar 17e jaar. In verband met haar studie heeft zij vooralsnog geen participatiemogelijkheden.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de uitkering ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat de Wajong-uitkering met terugwerkende kracht moet worden toegekend. Gezien haar handicap was al voor haar
18e verjaardag duidelijk dat zij in aanmerking zou komen voor een uitkering. Appellante is van mening dat de inkomensvoorziening met terugwerkende kracht tot de 18e verjaardag kan ingaan als een jonggehandicapte studeert of scholing volgt.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de aanvraag van appellante de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong van toepassing zijn.
4.2.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bepalingen en het systeem van de Wet Wajong erop zijn gericht dat de toe te kennen uitkering allereerst een arbeidsondersteuning betreft en nadien een inkomensondersteuning. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat het recht op arbeidsondersteuning niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend en dat, gelet op deze dwingende volgorde, het evenmin mogelijk is om met terugwerkende kracht inkomensondersteuning toe te kennen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 11 januari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BY8452) waarin is overwogen dat de tekst van (het derde lid van) artikel 2:15 van Pro de Wet Wajong volstrekt helder is en dat ook in de overige bepalingen van hoofdstuk 2 geen mogelijkheid voor terugwerkende kracht is opgenomen. Hoofdstuk 2 van de Wet Wajong voorziet - anders dan hoofdstuk 3 - niet in de mogelijkheid om hier een uitzondering op te maken.
4.3.
De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en H.C.P. Venema en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2014.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) M.P. Ketting

RB