ECLI:NL:CRVB:2014:2245
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering bijzondere bijstand voor kinderopvangkosten
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van kinderopvang van haar twee kinderen vanaf 1 januari 2011. Het college kende bijzondere bijstand toe voor enkele periodes, maar wees de aanvraag af voor de periode 1 januari tot 21 juni 2011, omdat appellante toen niet in de gemeente woonde of omdat zij bij haar ouders inwoonde en er geen noodzaak voor kinderopvang was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het college ten onrechte geen bijzondere bijstand verleende met terugwerkende kracht en dat het college onjuist had geïnterpreteerd dat kinderopvang niet noodzakelijk was in de periode dat zij bij haar ouders woonde.
De Raad oordeelde dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht in beginsel niet wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, wat hier niet het geval was. Het college had een buitenwettelijk begunstigend beleid dat consistent was toegepast. Wel stelde de Raad vast dat het college de GGD niet om advies had gevraagd over de periode van 7 februari tot 22 juni 2011 en dat het college een eigen interpretatie gaf aan het eerdere advies, wat onjuist was.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het college op het gebrek te herstellen door alsnog advies in te winnen en de aanvraag opnieuw te beoordelen, waarbij rekening moet worden gehouden met de reeds ontvangen kinderopvangtoeslag en de draagkrachtberekening. De uitspraak is een tussenuitspraak die het college zes weken geeft om het besluit te herstellen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college wordt opgedragen het besluit te herstellen binnen zes weken.