ECLI:NL:CRVB:2014:2252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot terugkomen van besluit inzake bijstandsverlening zelfstandigen
Appellant, een zelfstandige met een niet levensvatbaar bedrijf, kreeg bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) met de verplichting zijn bedrijfsactiviteiten binnen twaalf maanden te beëindigen. Hoewel appellant meldde zijn bedrijf te hebben gestaakt, oordeelde de Raad eerder dat hij zijn activiteiten niet tijdig had beëindigd en startte hij een nieuw bedrijf, waardoor de bijstand werd ingetrokken.
Appellant verzocht later om terug te komen van dit besluit, stellende dat er onduidelijkheden waren over de aard van zijn werkzaamheden en de beëindiging daarvan. Het dagelijks bestuur wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderende omstandigheden waren zoals vereist volgens artikel 4:6 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die rechtvaardigen dat het eerdere besluit wordt herzien. Het hoger beroep werd daarom verworpen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot terugkomen van het besluit tot intrekking van bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderende omstandigheden.