ECLI:NL:CRVB:2011:BP4648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet tijdige bedrijfsbeëindiging volgens Bbz
Appellant, een zelfstandige met een niet levensvatbaar bedrijf, kreeg bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) met de verplichting om zijn bedrijfsactiviteiten uiterlijk binnen 12 maanden te beëindigen. Appellant meldde dat hij zijn bedrijf op 27 september 2002 had gestaakt, waarna de bijstand per die datum werd beëindigd.
Eerder oordeelde de Raad dat appellant zijn bedrijfsactiviteiten tussen 27 september 2002 en 31 december 2002 niet had beëindigd en vanaf 1 januari 2003 een nieuw bedrijf was gestart. Op basis hiervan trok het Dagelijks Bestuur de eerder verleende bijstand over de periode 25 september 2001 tot en met 26 september 2002 in. Het bezwaar van appellant tegen deze intrekking werd ongegrond verklaard door het Dagelijks Bestuur en deze beslissing werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel aan de verplichting tot bedrijfsbeëindiging had voldaan. De Raad oordeelde echter dat appellant niet aan deze verplichting had voldaan, mede gelet op fiscale en boekhoudkundige gegevens waaruit bleek dat geen sprake was van bedrijfsstaking per 27 september 2002. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en intrekking van bijstand bevestigd wegens niet tijdige bedrijfsbeëindiging.