ECLI:NL:CRVB:2007:BA1098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.G.M. Simons
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ioaz-uitkering wegens voortzetting bedrijfsactiviteiten
Appellant exploiteerde sinds 1989 een eenmanszaak en vroeg in mei 2001 een Ioaz-uitkering aan vanwege voorgenomen beëindiging van zijn bedrijf. Het College kende de uitkering toe met ingang van 27 september 2002, de datum van uitschrijving uit het handelsregister. Later trok het College de uitkering in omdat appellant zijn bedrijfsactiviteiten niet had gestaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zijn activiteiten wel had gestaakt, maar nog wat onderhanden werk afrondde en per 1 januari 2003 een nieuw bedrijf startte. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een terughoudende toetsingsmaatstaf hanteerde; de bestuursrechter moet zich een eigen oordeel vormen.
De Raad onderschreef dat appellant zijn bedrijfsactiviteiten niet had beëindigd en dat hij geen liquidatiebalans had overlegd. Bovendien kon appellant vanaf 1 januari 2003 geen gewezen zelfstandige meer zijn omdat hij een nieuw bedrijf startte. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat verwachtingen waren gebaseerd op uitlatingen van derden en niet op het bevoegde bestuursorgaan. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de Ioaz-uitkering wordt bevestigd omdat appellant zijn bedrijfsactiviteiten niet heeft gestaakt en een nieuw bedrijf is gestart.