Uitspraak
26 april 2012, 11/2431 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als toezichthouder bij de gemeente Rotterdam, meldde zich ziek en startte een re-integratietraject. Zij verscheen niet op een afspraak bij de bedrijfsarts op 26 november 2010, ondanks oproepen en communicatie over het belang van deze afspraak. Het college staakte daarom per 1 december 2010 de salarisbetaling. Hoewel appellante later de bedrijfsarts bezocht, weigerde zij passende werkzaamheden te hervatten en was zij niet bereikbaar voor afspraken, wat leidde tot een tweede stopzetting van de salarisbetaling per 21 december 2010.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij medisch niet in staat was de bedrijfsarts te bezoeken en de werkzaamheden te hervatten, en dat mediation nodig was vanwege frictie met de werkgever. De Raad oordeelde dat zij onvoldoende medische onderbouwing leverde en dat het advies van de bedrijfsarts van 10 december 2010 leidend was. Ook het betoog over mediation en bereikbaarheid werd verworpen.
De Raad bevestigde het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarbij de stopzetting van de salarisbetaling rechtmatig werd geacht. De hervatting van de betaling per 26 januari 2011 was niet relevant voor de beoordeling van de eerdere besluiten. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De stopzetting van de salarisbetaling is rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.