ECLI:NL:CRVB:2014:2319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde Wajong-aanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante, geboren in 1993, diende op 28 november 2010 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering wegens concentratieproblemen en de diagnose PDD-NOS. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij naar het oordeel van het UWV in staat was passende arbeid te verrichten met een inkomen boven 75% van het minimumloon. Na een bezwaarprocedure en een nieuwe aanvraag op 31 december 2011, oordeelde het UWV opnieuw dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het ging om een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank vond dat de ernstigere herhaling van conversieverschijnselen zich pas na het eerdere besluit had voorgedaan en dat dit geen nieuw feit vormde.
In hoger beroep stelde appellante dat de herhaling en ernst van de conversiestoornis wel degelijk nieuwe feiten waren die de belastbaarheid wezenlijk beïnvloeden. Het UWV betwistte dit en stelde dat de medische gegevens dit niet onderbouwen. De Centrale Raad oordeelde dat bij de eerste beoordeling reeds rekening was gehouden met de conversiestoornis en het terugkerend karakter daarvan, zodat geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden.
De Raad bevestigde dat het UWV de aanvraag terecht mocht afwijzen met verwijzing naar eerdere besluiten en medische beoordelingen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herhaalde Wajong-aanvraag wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.