Uitspraak
OVERWEGINGEN
re-integratie bijvoorbeeld gericht op administratief werk te starten en wel uiterlijk half juni 2011. Vervolgens is appellante hiertoe niet overgegaan, maar heeft zij twee
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkgever van een werknemer die sinds januari 2010 ziek was vanwege psychische klachten, voerde in hoger beroep aan dat haar re-integratie-inspanningen adequaat waren, mede gesteund door rapporten van re-integratiebureaus en een bedrijfsarts. De werknemer was ongeschikt voor haar eigen werk, maar volgens een arbeidsdeskundige was re-integratie in passend werk mogelijk en had deze uiterlijk half juni 2011 moeten starten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de werkgever onvoldoende concrete en inhoudelijke re-integratieactiviteiten heeft ondernomen na het advies van de arbeidsdeskundige. De rapporten van de ingeschakelde bureaus ontbraken aan onderbouwing en er is geen adequaat tegenrapport opgesteld om het advies van de arbeidsdeskundige te weerleggen.
De Raad benadrukt dat ook bij re-integratie op het tweede spoor van de werkgever een adequate inspanning mag worden verwacht en dat onzekerheid over de medische situatie geen deugdelijke grond vormt voor het nalaten van re-integratie. De eerdere weigering van het UWV om een deskundigenoordeel te geven in 2010 kan de werkgever niet vrijwaren van haar verplichtingen in 2011.
De Raad bevestigt daarom het besluit van het UWV om de loonsanctie op te leggen en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanning van de werkgever wordt bevestigd.