ECLI:NL:CRVB:2014:2471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding niet volledig gegrond
Appellant ontving sinds 2005 een ouderdomspensioen als ongehuwde. Na een melding dat hij samenwoonde met een vriendin, stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in. Op basis hiervan werd het pensioen per 1 juli 2009 herzien naar het gezamenlijke huishoudingstarief en werd een terugvordering van €6.883,19 ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep betoogde appellant dat hij geen hoofdverblijf had bij zijn vriendin in de relevante periode en dat verklaringen onder druk waren afgelegd. De Raad oordeelde dat de nieuwe regelgeving niet met terugwerkende kracht toegepast kon worden en dat het beroep op het EVRM niet relevant was.
De Raad stelde vast dat vanaf 1 december 2009 sprake was van gezamenlijke huishouding, ondersteund door verklaringen van de vriendin en getuigen. Voor de periode van 1 juli tot 1 december 2009 ontbrak een toereikende feitelijke grondslag. Daarom werd het besluit voor die periode vernietigd en het herzieningsbesluit herroepen.
De Svb moet een nieuwe berekening maken van de terugvordering voor december 2009 tot maart 2011 en een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. De Svb werd veroordeeld in de proceskosten van appellant en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Besluit tot herziening ouderdomspensioen over juli tot november 2009 wordt vernietigd, herziening vanaf december 2009 bevestigd en nieuwe beslissing op bezwaar over terugvordering opgelegd.