ECLI:NL:CRVB:2014:2473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde autotransacties
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden onderzocht vanwege vermoedens van autohandel. Uit onderzoek bleek dat appellant tussen 2002 en 2011 meerdere voertuigen op zijn naam had staan, vaak kortdurend, wat leidde tot het besluit van het college om de bijstand over diverse maanden in te trekken en kosten terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep deels ongegrond, maar vernietigde het besluit voor zover de kosten in bezwaar werden geweigerd. In hoger beroep stelde de Raad vast dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de transacties met voertuigen als op geld waardeerbare activiteiten gelden, ongeacht het feit dat appellanten geen profijt zouden hebben gehad.
De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat sprake was van eigen gebruik van de voertuigen en dat zij hun inlichtingenplicht hadden geschonden door niet te melden dat zij voertuigen bezaten en verhandelden. De intrekking van de bijstand over maart 2007 was echter onterecht omdat het college die maand niet terecht had betrokken bij de intrekking.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college voor zover het de maand maart 2007 en de terugvordering betrof, en gaf het college opdracht een nieuwe berekening te maken. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over maart 2007 en de terugvordering wordt vernietigd en het college krijgt opdracht tot een nieuwe berekening.