ECLI:NL:CRVB:2014:2510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaren tegen beslaglegging op WIA-uitkering en medewerkingsplicht UWV
Appellant ontvangt sinds september 2008 een WIA-uitkering. In mei 2011 werd appellant geïnformeerd over een beslaglegging door een deurwaarder op zijn uitkering, waardoor zijn maandelijkse ontvangst werd verlaagd. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen dit beslag ongegrond. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV binnen het kader van het beslag had gehandeld en dat de geldigheid van het beslag uitsluitend door de burgerlijke rechter beoordeeld kan worden.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV niet zonder onderzoek naar de geldigheid van het beslag medewerking had mogen verlenen, verwijzend naar artikel 6 en Pro 8 EVRM. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwees naar vaste jurisprudentie dat de derde-beslagene, hier het UWV, gehouden is volledige medewerking te verlenen zonder de geldigheid of omvang van het beslag te toetsen.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende concrete gegevens had aangevoerd om aan te tonen dat het UWV buiten het kader van het beslag was getreden. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd; het UWV hoeft de geldigheid van het beslag niet te toetsen.