ECLI:NL:CRVB:2014:2517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering ondanks beroep op gelijkheidsbeginsel
Appellante vroeg op 6 december 2010 een Wajong-uitkering aan, die door het UWV op 9 maart 2011 werd afgewezen omdat zij naar oordeel van het UWV kon werken en meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Het bezwaar van appellante werd eveneens ongegrond verklaard.
In eerste aanleg stelde appellante dat het besluit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, omdat haar broers in vergelijkbare situaties wel een Wajong-uitkering ontvingen. De rechtbank verwierp dit beroep en oordeelde dat de situaties niet vergelijkbaar waren en het besluit zorgvuldig was genomen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en overhandigde zij arbeidskundige rapporten over haar broers. Het UWV verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad waarin werd vastgesteld dat medische beoordelingen op het individu zijn toegesneden en niet vergelijkbaar zijn. De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende inzicht had gegeven in de functionele mogelijkheden van haar broers en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering en wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af.