ECLI:NL:CRVB:2014:2544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en nieuwe aanvraag WWB
Betrokkene ontving sinds 2003 bijstand en werd onderzocht wegens vermoedens van werkzaamheden voor bedrijven van zijn broer, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 april 2007 tot 1 juli 2012.
De Raad beoordeelde in hoger beroep of betrokkene ook in de periode van 3 juli tot 2 augustus 2012 werkzaamheden verrichtte en daarmee de inlichtingenplicht schond. Uit onderzoek bleek dat betrokkene nog steeds banden en werkzaamheden had, onder meer via internetactiviteiten en sociale media, wat de Raad aannemelijk achtte.
Ten aanzien van de nieuwe aanvraag vanaf 21 juli 2012 stelde de Raad vast dat betrokkene pas vanaf 5 oktober 2012 een relevante wijziging in omstandigheden had aangetoond, namelijk het verwijderen van sociale media-accounts die verbonden waren aan de bedrijfsactiviteiten. De aanvraag werd daarom afgewezen voor de periode 3 augustus tot 4 oktober 2012, maar vanaf 5 oktober 2012 werd recht op bijstand erkend.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene wegens het deels slagen van het hoger beroep van het college en droeg het college op om opnieuw op de bezwaren te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand bevestigd voor juli 2012; nieuwe aanvraag afgewezen tot 4 oktober 2012, daarna recht op bijstand erkend.