ECLI:NL:CRVB:2014:2552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.M. Overbeeke
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering inkomensvoorziening wegens niet-melding vermogen onder WIJ
Appellant ontving sinds juli 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Tijdens een strafrechtelijk onderzoek werd een bedrag van € 23.270,50 aangetroffen dat appellant als eigenaar claimde. Hij verklaarde aanvankelijk dat een deel gespaard was en een deel geleend van een vriend. Later wijzigde hij zijn verklaring en overhandigde een geldleningsovereenkomst die echter onvoldoende bewijs bood voor de herkomst en aflossing van het bedrag.
Het college trok de inkomensvoorziening in per 21 juli 2010 en vorderde de verstrekte bedragen terug wegens het niet melden van het vermogen, wat een schending van de inlichtingenverplichting volgens artikel 44 WIJ Pro vormde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het recht op inkomensvoorziening niet kon worden vastgesteld door de schending.
De Centrale Raad oordeelde dat appellant ten tijde van de voorziening geen recht had omdat het vermogen de vrijlatingsgrens overschreed. De niet-melding van het vermogen leidde niet tot het niet kunnen vaststellen van het recht, maar bevestigde de onrechtmatigheid. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de inkomensvoorziening wegens het niet melden van vermogen boven de vrijlatingsgrens.