ECLI:NL:CRVB:2014:2575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding belastingschade na intrekking en herziening WAO-uitkering
Appellant had een WAO-uitkering die per 13 september 2004 werd ingetrokken door het UWV. Na bezwaar en herziening werd de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 29 december 2004 opnieuw toegekend. Appellant vorderde vervolgens vergoeding van belastingschade en renteschade vanwege de periode zonder uitkering.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de besluiten omtrent intrekking en herziening van de WAO-uitkering in rechte onaantastbaar en rechtmatig waren. Er was geen sprake van onrechtmatig handelen door het UWV en dus geen grond voor schadevergoeding.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat het UWV ook zonder onrechtmatig handelen gehouden zou zijn tot vergoeding van renteschade. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een bestuursorgaan niet op grond van analogie met artikel 6:162 BW Pro gehouden is tot vergoeding van renteschade zonder onrechtmatig besluit. Tevens was de betaling van het bedrag van € 12.603,92 op 25 juli 2006 tijdig en zonder verzuim verricht.
De Raad concludeerde dat appellant de belastingschade niet aannemelijk had gemaakt en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; geen vergoeding belastingschade of renteschade toegekend.